Ome Ed en de ouderdom

Ome Ed en de ouderdom

 

‘Waar is Schele Joop?’, vraagt Ome Ed aan de overige stamgasten. Leen Half Een haalt zijn schouder sop. Elsje en Samantha, voor het eerst sinds tijden weer paraat, weten het wel. ‘Joop zit op de 50plus beurs’.De gemiddelde leeftijd in koffiehuis De Koning aan de Bezuidenhoutseweg schommelt tussen de vijftig en de schijndood. Natuurlijk komen er zat jonge mannen, werklui, maar die zijn na een broodje en een kom soep weer weg. Wat rest zijn de stamgasten. ‘De 50plus beurs, wat heb een verstandig mens daar nou te zoeken?, vraagt Ome Ed. ‘Van alles. Wij zijn net twee dagen achter mekaar geweest’, verklapt Elsje.

Samantha knikt instemmend naar haar moeder en buigt voorover om het zoutvaatje te pakken. Bij de aanblik van haar voluptueuze boezem stijgt bij Leen Half Een het schaamrood op de kaken. Toegegeven, het is alsof je met een helicopter boven een dubbele  Grand Canyon hangt. ‘Ik voel me nog te jong voor zo’n beurs’, zegt Ome Ed. ‘Hoewel de ouderdom mij ook bekruipt. Als een ijsklontje dat langzaam langs je ruggegraat smelt.’ ‘Doe niet zo mal’, zegt Elsje, met wie Ome Ed een knipperlichtrelatie heeft. ‘Fruit smaakt het lekkerst als het rijp is.’ ‘Als je oud wordt ben je weer net een baby’, meent Ome Ed. ‘Geen haar, geen tanden, je pist weer in je broek, en je bekkie ziet er ook weer uit als een gedroogde aardappel.’ Daar kan Elsje zich wel in vinden. ‘Ik zie wel eens mannen met rimpels waarvan ik denk: hoe zal ze zak d’r wel niet uitzien?’

Ze dompelt haar theezakje langzaam op en neer in haar kopje en legt het op de rand van het schoteltje. ‘Kijk jongens, ik weet dat ik ouder wordt, dus ik sport. Bewégen, dat is de truc. ‘Als je sport wordt je tien jaar ouder. En zo voel ik me trouwens ook, als ik gesport heb.’ ‘Ach mam’, verzucht Samantha, ‘doe niet zo stoer. ‘De een is oud als ’ie pas twintig is, de ander voelt zich twintig als ‘ie tachtig is. Wat ís eigenlijk ouderdom?’ ‘Dat ken ik je wel vertellen’, zegt Ome Ed. ‘Ouderdom, dat is als je alle antwoorden weet, maar niemand meer de vragen stelt.’