Arme rijken

  Wij waren vroeger niet rijk. Sterker: we waren arm. We waren zó arm dat ik de kleren van mijn broer moest dragen – terwijl ‘ie ze nog aan had. Wij hadden niks. Ook geen speeIgoed. ’t Is maar goed dat ik een jongetje ben, anders had ik helemáál niks te spelen gehad. Wij hadden vroeger geen Playstation, wel een plee. Maar pleepapier hadden we niet. Dat was onbetaalbaar. Weet u waar ik vroeger mijn kleine kontje mee afveegde? Met een krant, zegt u? Welnee, veel te duur. We hadden natuurlijk wel kranten maar die gebruikten we als dekbed. Of me moeder vouwde d’r voor ons ondergoed van. Had je meteen wat te lezen op het toilet. Nee, wij gebruikten als wc-papier: de gekreukelde papiertjes die om mandarijntjes heen zaten. Daar moest je nog zuinig mee doen ook, want mandarijnen heb je alleen in de winter. Ja, dat was een mooie tijd. Toen je nog ongestoord kind kon zijn in dit land. Toen ‘Mens erger je niet’ nog een spelletje was. Nu lees ik dat de Kinderombudsman de noodklok luidt. Kinderarmoede in Nederland stijgt schrikbarend snel. De échte kinderarmoede. Niet die ik hierboven heb verzonnen. Ik heb geen armoede gekend. Mijn moeder wel. Zij vertelde vroeger – waarschijnlijk als een van ons weer eens met een pruillip boven een bord capucijners zat – dat ze als kind in de oorlog in de rij moest staan voor een pannetje tulpenbollensoep. En daar moest je ook nog een voedselbon voor hebben. Dat beeld is uit mijn jeugd. En nu, bij het klimmen der jaren, wordt ik er weer mee geconfronteerd. Er is een heus meldpunt  ‘Kinderarmoede’ geopend om de noodkreten te inventariseren. Dat zijn er veel. Niet alleen bijstandsmoeders, nee. Steeds meer mense worden geconfronteerd met eindjes die niet aan elkaar te knopen zijn. De ’armoedeval’, zoals het in vakjargon heet, wordt steeds groter. Het is een waterval ook, van diepe ellende en droefenis, die razendsnel op ons afkomt. Ook in de middenklasse sijpelt langzaam het vergif van de armoede naar binnen. Ik wens u – allen - stut, steun en houvast. Geld maakt niet gelukkig, zegt men. Dat klopt. Maar géén geld ook niet.