We zijn allemaal een beetje Linda de Mol

Zie de mannen slepen met hun bomen. Zie de sneeuw smelten op de daken. Zie het licht van de zon: ’t is winter. De aarde warmt op maar wij lopen te blauwbekken. Wie naar buiten gaat krijgt een klap in het gezicht; alsof je meteen miniatuurversie van de Utrechtse Dom voor je harses wordt geslagen. Niemand wil buiten zijn. En tóch zijn er gekken die nu naar buiten gaan….om gezellig een rondje te schaatsen. Het zit ons in het bloed, naar het schijnt. Schaatspret ligt verscholen, opgerolt als een egel in winterslaap, in de vezels van onze cultuur. Zodra het kwik daalt, stijgt de koorts. Als we een wak zien, worden we wakker.De invallende kou is een prachtig startschot voor die film over de Elfstedentocht, getiteld: De hel van ’63. Ik wist overigens niet dat het een schaatsfilm was, ik dacht dat het een film was over Patrica Paay. Ik ben geboren in 1963, dus je zou kunnen zeggen dat ik die hel op jonge leeftijd en van dichtbij heb meegemaakt. Zo’n babytrauma hakt er in. Kou is het laatste wat een baby wil voelen. Het enige stijve waar ik in geinteresseerd was, was mijn moeders tepel. Sinds die afschuwelijke tijd heb ik een bloedhekel aan kou. Vandaar dat ik als jochie ook helemaal niet wilde schaatsen. Maar het moest, van mijn vader. Op de vijver van het Haagse Bos. Dat was geen succes; ik moest drie keer terug naar huis voor een nieuwe stoel. Mijn schaatskwaliteiten waren abominabel slecht. Ik schaatste als Tiger Woods, zo gezegd. Ik maakte dubbele flic-flacs bij de vleet. Meerdere keren werd ik van het ijs gesleept, omdat omstanders dachten dat ik een aanval van epilepsie had. Bij een van die keren kreeg ik zelfs mond-op mond beademing van een hoogbejaarde dame met teveel lippenstift. Nee, schaatsen is aan mij niet besteed. Ik ben al blij dat ik iedere dag de eindstreep van mijn voordeur haal, zonder bevroren gezicht. Je vraagt je toch af hoe zo’n Linda Mol zich zal voelen; die heeft dat iedere dag.