Het geheim van de beiaardier

Van kinds af aan heeft de Grote Kerk een bijzondere aantrekkingskracht op mij gehad en ik ben niet de enige. Ik ken mensen die iedere dag een glimp móeten opvangen van de Haagse Toren, anders is hun dag mislukt. De blinkende gouden ooievaar bovenop is voor velen een baken in hun bestaan. Die aantrekkingskracht wordt veroorzaakt door onze Heilige Graal die bovenin hangt: de grote klok. Daarop staat namelijk de oudste aan ons bekende afbeelding van een ooievaar - uit 1541. Dichterbij je raison d’être kun je niet komen. Enige probleem: je komt niet zomaar op de Haagse toren. Hij is redelijk krakkemikkerig en het is slechts bij hoge uitzondering mogelijk deze te beklimmen. Als ik door de EO wordt gevraagd om voor een tv-programma iets van de toren te roepen hap ik dan ook meteen toe. God bestaat, zeker als ik ‘m kan gebruiken voor mijn eigen doeleinden. Nu ik bij de eerste trede sta begint het te tintelen in mijn lendenen. De treden zijn smal, de gangen nauw, stof dwarrelt rond. Het zijn 320 treden naar de top. Maar zelfs met mijn twee meter lange postuur is dit goed te doen, al zal mijn jas er na terugkomst uitzien alsof ik een dag in een meelfabriek heb doorgebracht. Soepeltjes, met dank aan mijn yogalessen, bereik ik het klokkenspel bovenin. Daar hangt ‘ie! Mijn stadsklok. Het is behoorlijk donker hier. Daglicht sijpelt nauwelijks door. Ik voel de contouren van de klok en van de ooievaar die erin gegoten zit. Ik raak ‘m liefdevol aan. Er gloeit een warmte door mijn lichaam die ik nimmer tevoren voelde. Een diep en wezenlijk besef dringt tot mij door: nu kan ik met een gerust hart sterven. De foto’s en filmpjes die ik maak (te zien via Facebook en Twitter) tonen mijn stad in optima forma. Het uitzicht is adembenemend.  Het beklimmen van de Grote Kerk zou een pelgrimstocht moeten zijn voor iedere Hagenaar of Hagenees. In Londen is per decreet bepaald dat iedere inwoner van de stad eenmaal in zijn leven het recht heeft om de Big Ben te beklimmen, met een gids. Dat zou bij ons ook zo moeten zijn. Nog twee nauwe trappen op en ik sta voor het heiligste der heiligen: het carillon van onze Grote Kerk. De beiaardier is juist begonnen met zijn uurtje ‘hameren en stampen’. Zijn spel is zeer verschillend van de vier mechanische deuntjes die meestal te horen zijn: twee liedjes uit Mary Poppins, iets van Bach en een 17e eeuws kinderwijsje. Nee, dan deze beiaardier: hij schopt en slaat en strooit de klanken van ‘On the sunny side of the street’ uit over de stad. De beiaardier begroet mij als een oude vriend. Ik had er op gerekend dat ik weg zou worden gestuurd maar het tegenovergestelde is waar: de vriendelijke jongeman nodigt mij uit om eens goed rond te kijken. Hij trappelt en hamert ondertussen door. ‘De vroegere bespeelster dronk tussendoor nog wel eens een kopje thee uit haar thermoskan, maar ik speel het liefst zoveel mogelijk.’ Ik vraag ‘m waarom het balkonnetje buiten onder water staat – het lijkt verdomme of die Kerk van bovenaf overstroomt. En dan vertelt hij zijn geheim. Hij verklapt dat er roofvogels rondvliegen die op dat nauwe balkon hun prooi achter laten. Om later op te peuzelen. Deze vogelkadavers, veelal duiven, raken verstopt in de afvoer van de Haagse toren. ‘Er is een dienst bij de gemeente die er over gaat’, zegt de klokkenspeler. ‘Die heet CVDH. Maar elke keer als ik bel gebeurt er niets.’ Gevolg: de Haagste toren, met daarin onze mooie klokken en het carillion, staat onder water.  Iedere vrijdag neemt de beiaardier van huis een vuilniszak mee en schept er zelf met stoffer en blik de kadavers er in. De aanblik van een beiaardier met een vuilniszak vol dooie vogels treft mij in het hart. Gemeente, u kent nu het geheim: doe er wat aan.